Wat denkers zeggen

Education is not a product

The students are not customers

The professors are not tools

The University is not a factory

Er zijn radicale veranderingen in wat democratische samenlevingen hun jongeren leren. Lange tijd werd onderwijs gezien als de plek waar studenten kritisch leren denken en worden gevormd tot ontwikkelde en begripvolle burgers. Maar omdat we economische groei boven alles stellen, heeft het onderwijs zich ook gericht op het leveren van economisch bruikbare en productieve werknemers, waardoor steeds meer wordt gesnoeid in het kunstonderwijs en de geesteswetenschappen. Deze kortzichtige focus op nuttige vaardigheden heeft ons vermogen om kritisch om te gaan met autoriteit in gevaar gebracht, heeft onze sympathie voor mensen die anders zijn verminderd, en heeft ons vermogen om complexe wereldwijde problemen te beoordelen, aangetast. 

De huidige Europese samenleving ondergaat een snelle verandering. Jonge mensen groeien op in een heterogeen land in een heterogene wereld. De problemen waarmee we als samenleving worden geconfronteerd, zijn niet langer lokale kwesties, maar hebben een wereldwijde reikwijdte en vereisen een multinationale discussie. 

Onderwijs dient ons daarom te voorzien van de middelen die we nodig hebben om effectief te kunnen opereren binnen dergelijke discussies en om onszelf als ‘wereldburger’ te beschouwen in plaats van louter en alleen als Belg, Europeaan, Amerikaan of Indiër. Scholen, hogescholen en universiteiten overal ter wereld hebben daarom een belangrijke en dringende taak: ze dienen te stimuleren dat leerlingen zichzelf gaan beschouwen als lid van een heterogene natie in een nog heterogenere wereld. 

Er zijn radicale veranderingen in wat democratische samenlevingen hun jongeren leren. Lange tijd werd onderwijs gezien als de plek waar studenten kritisch leren denken en worden gevormd tot ontwikkelde en begripvolle burgers. Maar omdat we economische groei boven alles stellen, heeft het onderwijs zich ook gericht op het leveren van economisch bruikbare en productieve werknemers, waardoor steeds meer wordt gesnoeid in het kunstonderwijs en de geesteswetenschappen. Deze kortzichtige focus op nuttige vaardigheden heeft ons vermogen om kritisch om te gaan met autoriteit in gevaar gebracht, heeft onze sympathie voor mensen die anders zijn verminderd, en heeft ons vermogen om complexe wereldwijde problemen te beoordelen, aangetast. 

We zitten nu midden in een crisis van een enorme omvang met grote gevolgen voor de hele wereld. Neen, we bedoelen niet de coronacrisis, maar wel de crisis die door corona aan de oppervlakte is gekomen, die eerder onopgemerkt verder woekerde. Deze crisis die misschien veel schadelijker is op lange termijn, het gaat om een crisis in het onderwijs: het contrast tussen onderwijs gericht op het streven naar winst en onderwijs gericht op een vorm van burgerschap die meer omvat. 

Volgens Nussbaum (2018, Niet voor de winst) is dit een groot probleem. Volgens haar moeten alle onderwijsniveaus bijdragen tot de ontwikkeling van democratisch burgerschap. Onderwijs moet meer zijn dan mensen vormen tot goede werknemers, maar hen leren hun kritische vaardigheden te gebruiken, hen leren over de wereld om hen heen en hen bevrijden van stereotypen. Een kritische houding, autonomie, een onderzoekende houding zijn noodzakelijk in een democratie. Ontwikkeling gericht op democratie vereist een menselijk ontwikkelingsmodel. Kunst en geesteswetenschappen spelen hierin een cruciale rol. Kunst en de geesteswetenschappen kunnen de geest en de verbeelding ontwikkelen die ons menselijk maken en onze relaties met anderen tot rijke menselijke relaties verheffen. Een samenleving zonder mensen die zich kunnen inleven in anderen maakt dat democratie gedoemd is te mislukken. 

We kunnen ons de vraag stellen hoe onderwijs jonge mensen kan voorbereiden op het leven in een democratisch land. Elke moderne democratie is een samenleving waarin mensen op vele verschillende punten van elkaar verschillen: religie, etniciteit, rijkdom, klasse, geslacht, seksuele geaardheid,… De vraag is hoe we mensen kunnen vormen zodat ze in staat zijn tot respect en democratische gelijkheid.

Dit lijkt én is een reusachtige uitdaging. Kinderen en jongeren intelligent burgerschap bijbrengen lijkt zo een enorme taak dat het verleidelijk is om onze handen op te heffen in machteloosheid en uit te roepen dat het ondoenbaar is, dat we ons beter bij ons eigen land kunnen houden. Maar natuurlijk is het voor het doorgronden van ons eigen land al een vereiste dat we kennis hebben van de wereld. Maar het gaat verder dan dat. De problemen waar we mee geconfronteerd worden en de verantwoordelijkheid die we dragen vragen van ons dat we landen en culturen van over de hele wereld gerichter en systematischer bestuderen. 

Het hoeft niet gezegd dat deze agenda niet alleen gerealiseerd dient te worden door middel van de inhoud van het onderwijs, maar ook door de pedagogiek. 

Het vormen van jongeren tot democratische burgers vereist een opleiding waarin duidelijk wordt dat geschiedenis, geografie, culturele wetenschappen, religie en politiek op een complexe manier elkaar onderling beïnvloeden. 

Halsema (2018, Macht en verbeelding) pleit ook voor een grondige kennis van de nationale en mondiale geschiedenis, politiek, economie, vreemde talen voor een beter begrip van de samenleving met haar problemen en uitdagingen van vandaag. Kinderen over de hele wereld moeten kennis maken met de wereldgeschiedenis (en niet alleen de geschiedenis van hun eigen land) en ze moeten zich verdiepen in de wereldreligies (en niet alleen leren over hun eigen geloof). Op deze manier krijgen ze respect voor andere culturen en overtuigingen. Onderwijs moet worden gebruikt om de verkeerde stereotypen af te leren en om te leren samenwerken en verantwoordelijkheid te nemen. 

Een dergelijke vorm van onderwijs stelt natuurlijk ook complexe pedagogische eisen.

De pedagogiek vertrekt vanuit de overtuiging dat een nieuw soort burger waartoe we willen opleiden actief, kritisch, nieuwsgierig is en in staat is om weerstand te bieden aan het gezag en de druk van de mensen uit zijn omgeving. We kunnen terugvallen op een levende traditie van pedagogen die de socratische waarden aanwenden (Dewey, Pestalozzi, Tagore,…). Niettemin hebben we hierin te weinig concrete handvaten om vandaag aan de slag te gaan.  Toch hoeven leerkrachten geen inventieve genieën te zijn. Vertrekken vanuit de overtuiging dat jonge kinderen actieve, vragen stellende wezens zijn en respecteren dat ze de capaciteit hebben tot indringend onderzoek brengt hen al erg ver. 

Louter en alleen op basis van feitenkennis en logica kunnen burgers niet goed omgaan met de complexe wereld die hen omgeeft. De derde vaardigheid van de wereldburger, nauw verwant met de eerste twee, zouden we de narratieve verbeelding kunnen noemen. Het is de vaardigheid om te bedenken hoe het zou kunnen zijn om in de schoenen van iemand anders te staan, om het verhaal van die persoon, de emoties, wensen en verlangens te begrijpen die iemand in een bepaalde situatie zou kunnen hebben. 

Kunst en de geesteswetenschappen zijn hiervoor misschien wel het belangrijkste middel, omdat ze de verbeelding van mensen voeden en daarmee het vermogen om zich voor te stellen wat anderen denken en voelen. Bovendien vereisen de problemen en uitdagingen waarmee we vandaag als samenleving worden geconfronteerd een verregaande vaardigheid van 'verhalende verbeelding', dat wil zeggen het vermogen om na te denken over hoe we onze samenleving anders kunnen vormgeven. Daarnaast vormt het cultiveren van medeleven een essentieel onderdeel van democratisch onderwijs. Leren om een ander mens niet als ding te zien, maar als volwaardig persoon is niet iets dat vanzelf gebeurt.

Kunst, literatuur en geesteswetenschappen kunnen een centrale rol spelen om dit binnen het onderwijs mogelijk te maken. Kunst en literatuur kunnen voor een volwassene verbazing en ontsteltenis veroorzaken. Kunst versterkt eveneens de verbeeldingskracht en de emotionele kracht van de persoonlijkheid. Kunst geeft de mogelijkheid om de Ander als veelzijdig of diepzinnig te zien. Poëzie en beeldende kunst geven de mogelijkheid om de ziel van het lichaam te zien want het vraagt ons ons te verwonderen over het innerlijke van de ander en onszelf. Het gaat hierbij niet over het ontwikkelen van waardering voor ‘schone kunsten’ maar wel het ontwaren van een fantasievolle dimensie in elke interactie met anderen en kunst slechts te beschouwen als slechts één van de vele domeinen waarbinnen de verbeelding wordt gecultiveerd. 

Kunst is voor volwassenen wat spel kan betekenen voor kinderen. Spel vormt een sleutelelement in een gezonde persoonlijke ontwikkeling. Spel is een activiteit die zich voltrekt in de ruimte tussen mensen, daarmee doen kinderen een waardevolle ervaring op met inlevingsvermogen en wederkerigheid. In spel wordt er geëxperimenteerd met verrassing en kwetsbaarheid, het kind wordt steeds beter in staat om zich te verwonderen. Dat is wat kinderen uiteindelijk met andere mensen moeten kunnen doen. De aanwezigheid van de ander, die zeer bedreigend kan zijn, wordt binnen het spel een verrukkelijke bron van nieuwsgierigheid en deze nieuwsgierigheid draagt bij aan de ontwikkeling van een gezonde houding in vriendschappen, de liefde en later, het politieke leven. De Amerikaanse pedagoog Dewey spreekt in feite alleen over succesvolle scholen wanneer scholen kinderen leren dat verbeeldingskracht nodig is om alles buiten het fysieke te behandelen. 

Een zorg hierbij is dat zich de laatste jaren ingrijpende veranderingen voordoen in wat democratische samenlevingen hun kinderen en jongeren onderwijzen: kunsten, niet exacte vakken en geesteswetenschappen worden wegbezuinigd. Sterker nog, het fantasievolle, creatieve aspect en het aspect van kritisch denken verliest terrein ten voordele van het ontwikkelen van gespecialiseerde vaardigheden die nodig zijn voor economische groei en winst. Inzetten op wetenschap en technologie lijkt van doorslaggevend belang voor het toekomstig welvaren. 

Nochtans zullen vaardigheden in kritisch denken en reflectie van doorslaggevend belang zijn voor het levend houden van democratieën en antwoorden bieden op de vraagstukken van deze tijd. In staat zijn om na te denken over een breed scala aan culturen, groepen en landen en die te zien in de context van de wereldeconomie en de wijze waarop vele landen elkaar onderling beïnvloeden, is noodzakelijk om democratieën in staat te stellen om op verantwoordelijke wijze om te gaan met de problemen waar we tegen aan lopen.

Als lerarenopleiding willen we staan voor het opleiden van wereldleraars die het kwaliteitsvolle onderwijs dat onze samenleving nodig heeft kunnen waar maken. Daarbij houden we SDG 4 Ensure inclusive and quality education for all and promote lifelong learning als leidraad voor ogen. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 hebben de opstellers al bepaald dat het recht op onderwijs een grondrecht is. In hun kwaliteitseisen hebben zij onze taak mee gedefinieerd: 

Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen. (art. 26.2) 

Deze bepaling van de Verenigde Naties stelt net zoals Martha Nussbaum de ontwikkeling van de totale mens in relatie tot anderen als basisidee. Wereldleraars die dit onderwijs mogelijk maken zijn in eerste instantie wereldburgers, maar daarenboven dragen ze inspirerend uit in hun professionele omgeving, de klas, de school uit waar ze voor staan en zijn ze blijvend bezig met de vorming van kinderen tot wereldburgers. 

Laat dit een oproep zijn tot actie voor beleidsmakers van vandaag! We houden tegenwoordig nog steeds vol dat we gesteld zijn op democratie en vrijheid van meningsuiting, respect voor diversiteit en begrip voor anderen. We denken te weinig na over wat we moeten doen om deze waarden over te dragen aan de volgende generatie en hun voortbestaan te verzekeren. We vragen steeds vaker aan scholen om nuttige winstmakers voort te brengen in plaats van nadenkende burgers. Onder druk van bezuinigingen snoeien we juist die delen van het onderwijs weg die van cruciaal belang zijn voor het in stand houden van een gezonde samenleving. 

Laten we de onderdelen in ons onderwijs die de democratie vitaal houden dienen en ze verdubbelen. Zelfs als ze niet fundamenteel bedreigd zijn zoals hierboven geschetst, zijn ze duidelijk kwetsbaar en staan ze in een tijd van economische mondialisering onder grote druk. We moeten met nadruk blijven hameren op het cruciaal belang van onderwijs voor wereldburgers want ze brengen ons iets op dat veel kostbaarder is dan geld. Ze maken de wereld tot een plek waar het leven de moeite waard is: ze brengen mensen voort die in staat zijn om andere mensen te beschouwen als volledige mensen, met eigen gedachten en gevoelens die respect en inlevingsvermogen verdienen, en landen die in staat zijn om angst en argwaan te overwinnen en te kiezen voor een debat.